Geloven is denken dat wat je hoopt waar is (cit. Gerdjan Kipping).
Afkomstig uit een rooms-katholiek gezin uit een Brabants dorp ben ik met geloof bekend en met religie. Ik werd gedoopt, deed de eerste communie (ik kreeg geen nieuwe fiets), ontving het vormsel en zong in het jeugdkoor in de kerk. Vanaf ongeveer mijn twaalfde stelde ik mezelf al vragen vanwege de ongerijmdheden. In de jaren erna brokkelde dat geloof langzaamaan af. Inmiddels geloof ik allang niet meer en ben ik atheïst: ik geloof niet dat er een god bestaat.
Ik begrijp waarom mensen geloven. We willen toch antwoorden vinden over ons rare tijdelijke aardse bestaan en over wat er na die tijdelijkheid gebeurt (niks dus, gewoon een zwart gat, helaas). Zodra geloof georganiseerde religie wordt, ontstaan er problemen. Ten eerste omdat er baasjes komen en tweede omdat er spelregels komen. Zolang die spelregels er voor de eigen club zijn, is er in beginsel geen probleem. Maar de baasjes willen die spelregels meestal ook opleggen aan de rest van de samenleving en dat levert gedonder op. Dat jouw geloof en je spelregels je inspireren om iets voor de samenleving te doen, fijn. Dat je die spelregels aan anderen wilt opleggen die niet bij je clubje (willen) horen, niet zo fijn.
Mensen die niet geloven of niet bij je clubje horen, hebben geen behoefte aan wat de Bijbel, de Koran, de Tenach of eender welk boek voorschrijven. Doe het goede, help mensen, werk aan de samenleving, maar val anderen niet lastig met je persoonlijke obsessies.
