Bij mijn overstap van de advocatuur naar het onderwijs twee jaar geleden, had ik niet voorzien midden in een crisis terecht te komen. En al helemaal niet met mijn nieuwe werkgever, Hogeschool Inholland, als katalysator.
Eind 2008 reageerde ik op een vacature voor docent bestuursrecht bij Inholland Rotterdam. Bij de functieomschrijving stond vermeld dat affiniteit met projectmatig en competentiegericht onderwijs (cgo) was vereist. Tot dan toe had ik daar nog nooit van gehoord, maar inmiddels weet ik beter. In de huidige crisis staat met name dit cgo ter discussie als grote boosdoener. PVV-woordvoerder onderwijs Harm Beertema schrijft in de Volkskrant van 29 april jl.: “Het allerergste was dat dit cgo warm werd onthaald door de managerskaste die was ontstaan in de fusierace […] efficiency kreeg het primaat boven de interactie tussen leraar en leerling”. Bart Funnekotter schrijft in de NRC van 22 juni jl. dat HBO-dbestuurders erachter kwamen “dat je een stuk minder duurbetaalde vakleerkrachten nodig had.” Hoewel zelf geen voorstander van cgo is het grootste probleem dan ook niet cgo zelf als wel de centrale rol die het procesmanagement heeft gekregen, waarbij het cgo werd gebruikt om ongegeneerd te bezuinigen op docenten.
Deze ontwikkeling is niet recent en beperkt zicht evenmin tot het onderwijs. Die begon juist in het bedrijfsleven. Dat deel van de samenleving dat blijkbaar louter leiders met visie, daadkracht en leiderschapscapaciteiten zou voortbrengen. De jaren negentig brachten ons de ISO- en daaraan verwante procedures. Processen moesten voortaan aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen, externe wel te verstaan. Zonder keurmerk geen goed bedrijf. De overheid pakte dit later ook op. Ook bij mijn drie voorgaande banen kreeg ik te maken met de hieraan gekoppelde certificatieprocessen. De certificeringsindustrie groeide rap. Met de gedachte dat procedures op orde moeten zijn is niets mis, evenmin met de transparantie en controleerbaarheid ervan. Allengs werd de certificatie echter heilig verklaard en werd het proces(management) leidend, ook binnen het HBO-onderwijs. Ik maak me sterk dat dit anders was gelopen als er geen sprake was van geweest van cgo. Dat dit cgo ook problemen heeft veroorzaakt of heeft verergerd bestrijd ik niet. Cgo gaat uit van kennis, vaardigheden en houding en daar is niets mis mee, maar wel met het ondergeschikt maken van kennis aan vaardigheden en houding (Beertema schrijft: “Kennis verouderde namelijk razendsnel en was al achterhaald op het moment dat de woorden over de lippen van de docent kwamen”). Wat heb ik aan een chirurg die goed kan snijden, maar geen idee heeft waar de slagader loopt?
De leidende rol van het procesmanagement, in combinatie met de fatale financieringssystematiek van het hoger onderwijs (voornamelijk gebaseerd op het aantal studenten dat afstudeert), de schaalvergroting van de onderwijsinstellingen (zonder dat daar besparing op overhead tegenover stond welke besparingen in het onderwijs konden worden gestoken) en de verwaarlozing van kennisoverdracht in het onderwijs hebben geleid tot deze crisis. Die is niet 1, 2, 3 op te lossen. Alle problemen kunnen niet tegelijk worden aangepakt, maar begin er mee het onderwijs weer leidend te maken met een centrale rol daarin voor de docent. De student verdient een docent die tijd en ruimte heeft het onderwijs goed te ontwikkelen, de lessen goed voor te bereiden en toetsen te maken en te beoordelen. “Verzelfstandiging” van ondersteunende diensten moet worden teruggedraaid zodat deze ondersteuning weer een integraal onderdeel van de opleidingen gaat uitmaken (en de docent geen klant meer is, maar een collega die wordt ondersteund).